Idealen stranden in stedelijke neo-liberale free zones

Hoe lang blijft de stad nog aantrekkelijk voor jonge creatieven?

Het symbool van succes is het dragen van een apparaat met een aangevreten appel.

Het gaat goed met onze steden. De steden maken sinds een decennium een grote opleving door. De trek naar de stad lijkt onstuitbaar, het ‘platteland’ (alles wat niet ‘de stad’ is) heeft het nakijken. Inmiddels daagt een ander beeld en lijken de steden te verworden tot neo-liberale proeftuinen, free zones, waarin de markt ongebreideld de dienst uitmaakt, de enkeling onder de noemer startup moet vechten om een flexplekje, en 20 m2 woonruimte. Het aantal in vuilnisbakken graaiende daklozen is in geen enkele grote stad meer over het hoofd te zien. Het lijkt erop dat de stad zichzelf niet meer onder controle heeft en de stadse idealen verschralen. Wacht het ‘platteland’ een revival van gemeenschapszin, bezinning en duurzame omgang met de omgeving en de mens zelf?

De belegering van de stad
Het lijkt eigenaardig, maar de trek naar de stad kwam pas goed op gang in de jaren kort na de financiële crisis van 2008. Weinig konden een heldere en overtuigende verklaring vinden van deze trek naar de stad. Grote steden trokken kansrijke jongeren en bemiddelde tweeverdieners uit de middelgrote steden. De middelgrote steden groeiden ondanks deze trek naar ‘de grote stad’ ook, licht, maar toch. Zij trokken weer de omliggende dorpen en rurale gebieden leeg. Vooral jongeren zochten hun heil in de dichtstbijzijnde steden, steden met een omvang van 100.000 inwoners en meer.
Een deel kan worden verklaard uit het feit dat veel steden al lang de weg naar boven hadden gevonden. De vaak armzalige omstandigheden in veel steden eind vorige eeuw, dreven gezinnen de stad uit, mede gestimuleerd door het ‘kies rust en ruimte’-beleid van de landelijke overheid.
Een stad als Amsterdam verloor tussen 1963 en 1984 maar liefst 190.000 inwoners. Een fatale leegloop.
De steden leken oorden van armoede en verval. Het zou leiden tot grootschalige ingrepen in de verloederde woningvoorraad. In Amsterdam zou wethouder Jan Schaefer (PvdA) onder het credo ‘in gelul kun je niet wonen’, tussen 1978 en 1986 werk maken van wat toen stadsvernieuwing heette.

Alternatieve plekken trekken als de Holzmarkt veel jonge budgettoeristen naar Berlijn.

Uit het dal
Een rechtstreeks verband tussen de grootschalige stadsvernieuwing en het weer klimmen van het aantal inwoners in Amsterdam, is moeilijk aan te tonen. Toch stijgt vanaf 1984 het aantal inwoners weer beetje voor beetje. Het dalen en weer toenemen van het aantal inwoners blijkt geen typisch gegeven voor Amsterdam. Ook de stad Utrecht maakte een vergelijkbare ontwikkeling door, zij het een aantal jaren later dan Amsterdam. Tussen 1970 en 1990 verloor de stad maar liefst 48.000 inwoners en behield 230.000 inwoners. Vanaf 2000 is de trend stijgend tot in 2018 met 348.000 inwoners.
Op Europese schaal zijn vergelijkbare ontwikkelingen zichtbaar in een stad als Berlijn. Ofschoon daar historische trendbreuken andere tijdlijnen laten zien.
De steden maken dus alweer enige tijd een bloeiperiode door. Hipper, aantrekkelijker, drukker dan ooit, blaken de steden van zelfvertrouwen. Ook in Rotterdam, waar ze ooit de mouwen opstroopten, worden nu de laptops open geklapt in de buurt van food hallen, kekke horeca en plekken ‘wachtend op ontwikkeling.’

De stad als ‘verlicht’ deel van het land
In de westerse wereld ontstaat een steeds grotere kloof tussen steden en ‘de periferie’. De stedeling presenteert zich als werelds, liberaal, open en ruimdenkend. Alles buiten de ring, meestal aangeduid met ‘de periferie’, lijkt daartegen afgezet, provinciaal, conservatief, gesloten en burgerlijk.
Of we nu de verkiezingen van Trump in de VS, de Brexit in het Verenigd Koninkrijk of de politieke kaart van Nederland nemen, ‘de stad’ en ‘de rest’ lijken zich in tegengestelde richtingen te bewegen. Kiezen de steden overwegend voor links-liberale-groene partijen, de niet-stedelijke gebieden neigen meer naar lokale vertegenwoordigers. In Nederland zagen Randstedelingen zich genoodzaakt om de buitenlui in Friesland ten aanzien van Zwarte Piet’ bij de les te houden.
De stad sorteert uit, zo lijkt het.

Budgettoerisme zet grote druk op de leefbaarheid van de steden en drijft de huizenprijzen op.

Neo-liberale proeftuin
De stormachtige ontwikkeling van veel (westerse) steden lijkt gelijk op te gaan met de omarming van het neo-liberale denken in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Een bijzonder huwelijk tussen sociaal-democratie en neo-liberaal marktdenken, leidde in veel landen tot een veranderende rol van de overheid, de positie van de burger tegenover de staat en ontremming van het bedrijfsleven. Was het Wim Kok in Nederland, Tony Blair in het VK, Gerard Schröder in Duitsland, ze zochten allemaal naar ‘de derde weg’. In feite een sociaal-democratische variant van het neo-liberalisme van Thatcher en Reagan, die bijna niet meer van het origineel te onderscheiden was.
Terwijl de steden de neo-liberale golf vierden met exploderend toerisme, stijgende inkomsten, trendsetters in de ‘deel-economie’ zoals Airbnb en Uber, stijgende vastgoedprijzen, de opvang van ‘jonge creatieven’, leek de buitenstedelijke bevolking te verzinken in lethargie door de toenemende uittocht van jonge inwoners, leegstand van winkelcentra, immigratie en vergrijzing.
Inmiddels lijken de steden niet langer te profiteren van deze ontwikkelingen. Sterker, de stemming slaat hier en daar om. De huizenprijzen, koop en huur, hebben een irrationele en ontembare vlucht genomen. De stad lijkt nu zelf last te krijgen van een kloof tussen ‘de stad’ (zijnde de centrale stadsdelen) en haar eigen periferie, zijnde de minst aantrekkelijke na-oorlogse buitenwijken. De geluksvogels leven in het historische centrum, de pechvogels erbuiten. Gezinnen verlaten wanhopig op zoek naar betaalbare woonruimte de stad. De dorpen rondom de steden zijn reeds onderdeel van de oververhitte huizenmarkt en het zoeken naar huizen op 50 -100 km afstand lijkt geen uitzondering meer.

NDSM in Amsterdam heeft zich ontwikkeld tot een veelzijdige creatieve werkplaats en cultuurlokatie. Maar hoe lang nog?

De wal en het schip
De hipheid en de crisis dreef veel zelfstandig werkenden, veelal ZZP-ers in de creatieve sector, naar de grotere steden. Immers het is er leuk en de kans op zinvolle contacten is groter dan in een kleine stad of dorp. Maar het tij lijkt te keren. Vooral de startende (creatieve) ondernemer, en zeker zij die werkzaam in de culturele sector en de kunsten, verlaten steden als Amsterdam, Berlijn en London omdat ze onbetaalbaar zijn geworden. Den Haag meldt relatief veel mensen uit Amsterdam die een woning in de hofstad zoeken. Rotterdam meet hieraan juist haar succes af. Maar ook daar stijgen de prijzen.
De alternatieve plekken met pallets in het zand als meubilair, verdwijnen in steden als Amsterdam en Berlijn als sneeuw voor de zon. De markt moet zijn werk doen. En op zand kun je meer verdienen met bouwen dan met de verkoop van hippe biertjes. Beginnende ‘hippe tentjes’ worden vervangen door (Amerikaanse) ketens met ‘industrial look’. Gemeenten die proberen een gebouw toch nog voor de buurt of een cultuurbestemming te behouden, kunnen rekenen op een juridisch gevecht met ‘de markt’. Het neo-liberalisme heeft de stad (lees de gemeenschap) langzaam en ongemerkt tandeloos gemaakt en verliest daardoor veelal de strijd van de projectontwikkelaar, de investeerder of de speculant.
De steden als centra van experiment en vernieuwing lijken door stokkende toetreding van starters op de woningmarkt en in de creatieve sector op hun retour. Hun hipheidsfactor neemt snel af.

Vakantieadresje in de bossen bij Arnhem.

Een post-liberaal leven
Inmiddels wordt velen duidelijk dat niet alle miljoen zelfstandig werkenden zich in het hippe stadsleven staande kunnen houden. De concurrentie tussen de ontelbare creatieve ondernemers is moordend. De inkomsten van maand tot maand onzeker, de verzorgingsstaat is geschiedenis, en de stad ongenaakbaar voor hen die niet over voldoende geld beschikken.
De steden zijn proeftuinen geworden voor het Neo-liberale Experiment. De stad als een grote markt, waarbij zijzelf ook nog te koop is. Het kan niet anders dan dat de steden hun aantrekkelijkheid deels zullen moeten prijsgeven.
Een eerste trend lijkt zichtbaar naar een meer relaxt leven, een leven dat niet beheerst wordt door extreme prestatiedrang, hoge eisen aan succesvolle zelfpresentatie, de voortdurende angst om de huur niet meer te kunnen betalen en de hoge kosten van het stedelijk uitgaansleven.
Grote steden teren nog even op talrijke dubieuze instituties met ondoorgrondelijke, meestal van belasting vrijgestelde ‘dienstverlening’, clusterend op luxe kantorenlocaties, met medewerkers die de luxe nieuwbouwiconen pijnloos kunnen betalen.
Maar ongemerkt lijkt de beroemde stedelijke creatieve energie als een dief in de nacht aan de stad te ontsnappen, op zoek naar nieuwe ‘vrije oorden’, ruimte en nieuwe duurzame zingeving.

Zie ook de serie ‘Onbehagen‘, over stijgende onrust en onvrede.

Deze content wordt beschermd door COPYSCAPE.