De geur van bloesem en verval in de stad

Een blog over het omdenken over systemen en steden.

De voormalige Roof Garden Arnhem op het dak van een parkeergarage.

Willen onze steden voor de volgende generaties bronnen van leven en inspiratie zijn, moet de omgang met de stedelijke content drastisch veranderen. FIRE-steden (financials, insurance en real-estate) zakken door hun voeten door haar eenzijdigheid en fantasieloosheid. Een blog over het omdenken over systemen en steden.

Stedelijk kopieergedrag
Aan het succes ten ondergaan. Een bekend fenomeen. Immers succes leidt tot nadoen, doorontwikkelen, schaalvergroting waarna het meestal door gebrek aan lust tot innoveren roemloos ten ondergaat. Immers innoveren betekent experimenteren en dus risico op afbreuk van het bestaand succes. Lehman Brothers, als grootste ‘doorontwikkelde’ bank ter wereld, ging zonder aankondiging ten onder en sleepte veel van de op haar mono-model gebaseerde organisaties mee in haar val. De huidige ‘crisis’ is geen gevolg ervan, maar lag aan de basis van de val van Lehman Brothers.
Veel steden hebben zich ook ‘gespecialisereerd’. Immers was ‘focussen’ niet het toverwoord in marketing, baancoaching (je mocht vooral niet teveel kunnen en willen) en stedelijke ontwikkeling (kantoren en winkels).

De rol van FIRE’s bij stedelijke ontwikkeling
Je ging het ook zien in de stedelijke inrichting. Meestal leidde dat er toe dat veel steden zich kritiekloos op hetzelfde gingen profileren: immers hoeveel steden wilden geen hightech-bedrijven, banklogo’s in het straatbeeld en vooral winkelstad van Nederland worden. Een menselijk trekje: met zo weinig mogelijk inspanningen streven naar een snel en optimaal resultaat, zonder te veel risico te lopen. De gevolgen zien we nu overal: de FIRE’s leiden zwaar en moeten met veel publiek geld overeind worden gehouden en ook al die ‘unieke’ winkelgebieden kunnen zich amper meer staande houden. De FIRE’s zijn verantwoordelijk voor de grootste steunoperaties aan bedrijven met publieke middelen uit de geschiedenis, notabene gecombineerd met een niet aflatende stroom van massa-ontslagen. Een injectie met maatschappelijk geld, leidt dus niet automatisch tot maatschappelijk gedrag.

Steden lijken veel op Lehman
Steden zijn de laatste decennia bestuurd als bedrijven, als waar dat je aan de man moet brengen, als een ‘ding’ dat je in één slogan kunt vangen. Die eenzijdigheid breekt veel steden nu op. Allemaal dezelfde winkelketens, allemaal financials in de stad en veel andere risicomijdende bedrijvigheid. Hele generaties jongeren zijn de afgelopen jaren van onze scholen en universiteiten gekomen, getraind in het aanpassen aan de mores van dit type fantasieloze en inspiratie-arme bedrijven. Je kleding, je woordkeuze, je CV, het moest allemaal aangepast zijn aan een succesvolle toetreding op de arbeidsmarkt. En nu zitten we dan met een hele relatief jonge generatie risicomijdende arbeidskrachten, uitkijkend naar hun nieuwe auto van de zaak, hun bonus en periodieke verhoging.
Dit fenomeen heeft onze steden ‘verarmd’. Een generatie in de ‘kracht van hun leven’ niet meer in staat of bereid om in zelfstandigheid een eigen koers in het leven te volgen, bang, uit ‘het systeem’ te vallen.
Kijk tijdens de lunch eens op de Amsterdamse Zuidas. Jongen mensen, met een vergelijkbare haardracht, een dertien-in-een-dozijn pakken (zwart met streepjes), Black Berry of iPhone 5, identieke manier van zelfpresentatie. Of loop even de parkeerplaats op: naast vergelijkbare automerken, ook vaak alle kleuren, als het maar zwart of donker grijs is.
Terwijl we nu meer dan ooit ondernemende, risiconemende burgers en ondernemers nodig hebben, hebben we een risicomijdende cultuur bevorderd.

Hoeveel wereld vind je in je stad?
De positie van een stad moet steeds minder worden gezien in relatie tot haar positie in ‘de wereld’, maar in toenemende mate in relatie tot hoeveel van de wereld in die stad te ervaren is. Hoe verbindend is de stad in haar zelf? Een gezonde stad verbindt ‘de marges’ van de stad met het hart van de stad. Rekt de regels op, gooit ze waar nodig overboord. Daagt uit. Zei wijlen Frank Zappa niet: ‘Zonder afwijken van de norm, is vooruitgang niet mogelijk’.
Een stad die niet alleen haar middelen kan vergroten, maar ook natuurlijker kan verdelen. Kunstenaars, ‘creatieven’, musici, ontwerpers lijken door hun povere bestaan geen economische bestaansrecht te hebben. We vergelijken ze dan met grotere bedrijven, waaronder de FIRE’s. Maar is dat reëel? Door verregaande standaardisering, uniformering en dwang tot aangepast gedrag, wordt het mensenbedrijf tot productiemachine gemaakt. En dat levert geld op. En dat verblindt. Maar brengt ons dat als stedelijke gemeenschap op termijn ook verder?

Steden als machines
Dit denken heeft ook onze steden tot machines gemaakt. We winkelen hier, wonen daar, recreëren weer op daartoe aangewezen plaatsen. Onze binnensteden zijn verworden tot consumptiemeters, met de openbare ruimte volledig dienstbaar gemaakt aan dit eenzijdige gedrag. Hoeveel zitbanken zijn in onze binnensteden niet verdwenen omdat uitrusten bij de lokale middenstand op het terras hoort plaats te vinden. Hoeveel openbare ruimte is niet opgeofferd aan parkeerplaatsen (anders kun je je aangekochte goederen niet meenemen), toeritten voor aanleverend vrachtverkeer en reclame-objecten? Hoeveel winkels in de buurten zijn niet onderuit gegaan door geconcentreerde consumptiepaleizen in de randen van de stad? Het leven is daarmee uit de wijken gezogen.
Musea dienen nu als statische iconen van ‘artistieke successen uit het verleden’ of als horeca in een cultureel decor. Musea moeten weer worden tot centra van inspiratie voor de toekomst, steeds veranderend, gaan voor het experiment, niet voor de horeca-omzet of de bezoekersaantallen.

De faciliterende stad
Een stad is een levend organisme. Als die daarvoor de ruimte krijgt. De mensen moeten er kunnen ademen, letterlijk natuurlijk, maar ook figuurlijk. De stad moet letterlijk gaten openlaten voor nieuwe ontwikkelingen. Gaten in ruimtelijk opzicht, een lege plek. Maar ook in regelgeving. Er moet vers bloed in de stad kunnen vloeien, ontmoetingen worden bevorderd (serendipiteit). In de meest inspirerende steden ruik je de bloesem en de geur van verval op hetzelfde moment. Verval in onze steden wordt gezien als teken van armoede en dus zien we liever een zandvlakte met een hek, dan een verveloos pand. Maar verval betekent ook waardevermindering, bij een vaak beperkter verval van de functie. Nieuwe toetreders kunnen dan tegen lage kosten van die functie gebruikmaken. We zijn gewend om de opstap te regelen door startende ondernemers en huizenkopers vol te stoppen met leningen zodat ze direct ‘nieuw’ kunnen kopen. Met een jarenlange schuldenlast (en rentewinsten voor de banken) tot gevolg. Een stad die verval toestaat, nodigt uit tot initiatief. Een oude boom is bron voor nieuw leven. Lang wilden we geen dode bomen in een park, en gingen zelf ‘nieuw leven’ planten. Een stad is een verzameling van groepen en zeer fluïde. Een stad die in stenen, wegen en regels kan mee-ademen heeft voor de toekomst de beste kansen.

Blog geïnspireerd door pamflet van Danilo Venturi tijdens de modebiënnale MoBA, Arnhem.