De overheid gegijzeld door angst voor ‘staatssteun’

Hoe burgerinitiatieven het vrijwel altijd tegen 'de markt' afleggen.

De ruime hal van de ‘Wolkenfabriek’ kan vele activiteiten accommoderen.

“In Nederland verdwijnen langzaam maar zeker alle alternatieve vormen van verdeling en toewijzing van grond, arbeid en kapitaal: kartels zijn verboden, de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie bestaat nauwelijks meer, woningcorporaties verkopen hun bezit op de markt, zuivel- en kredietcoöperaties openen zich voor de kapitaalmarkt, onderlinge verzekeringsmaatschappijen, familieondernemingen en grote boerenbedrijven worden overgenomen of verdwijnen.” (Artikel)
(Bas van Bavel, hoogleraar sociale en economische geschiedenis aan de Universiteit Utrecht.)

De markt: van model naar religie
We hebben het nooit zo goed gehad stellen velen. En als het gaat om gezondheidszorg, voedselzekerheid en veiligheid is daar veel voor te zeggen. Ook in een gemiddelde Europese stad met haar culturele aanbod, volle restaurants en terrassen, haar glimmende warenhuizen en supermarkten, de gemiddeld splinternieuwe wagenpark en glimmende openbaar vervoernet lijkt weinig reden tot klagen. Wie dan ook nog de toegenomen files en de hier en daar exploderende huizenprijzen als indicatoren neemt, kan niet anders concluderen dat het goed gaat met Nederland en ‘de economie’.
Toch stellen niet de minste deskundigen dat de onderliggende stroom in een andere richting gaat.
‘Wij zijn cyclische wezens: we gaan van uitersten naar uitersten. Iedere fase in de economie is een reactie op de vorige fase. Maar mensen leren niet, want elke dertig jaar is er weer een nieuwe generatie die de geschiedenis niet kent.’
Jaap van Duijn, econoom, oud topman Robeco en oud hoogleraar Universiteit van Amsterdam en Erasmus Universiteit in Rotterdam. (Artikel)

De 23 km lange ‘Nordbahntrasse’, een levendig fietspad over een oude spoorlijn.

De burgersamenleving in een geldgedreven context
Er is geen onderdeel van de samenleving dat niet met begrippen als ‘marktwerking’, ‘privatisering’, ‘outsourcing’, ‘verzelfstandiging’ en soortgelijke termen te maken heeft gekregen. Neem de medische sector: of een behandeling nog nuttig is wordt afgemeten aan de ‘kwaliteitsjaren’ die dat aan een leven toevoegt. Op de achtergrond loert een afschrijvingsmethodiek: hoe ouder, hoe korter de ‘terugverdientijd’. Ook de steden zijn in de greep gekomen van het marktdenken. In plaats van dat de stad plaats biedt aan de markt, in de betekenis van het bijeenbrengen van vraag en aanbod, is zij zelf net zo hard waar op de markt. De stad is immers te koop: haar grond en haar opstallen.
Sinds 2000, en zeker 2008, is het begrip ‘burgerinitiatief’ of ‘burgerparticipatie’ sterk in de belangstelling gekomen. Op vele terreinen kregen of namen burgers het initiatief om in hun omgeving verbetering aan te brengen, ‘de wereld een beetje mooier of rechtvaardiger’ te maken. De versnelling van de burgerinvloed kwam na de economische crisis die startte in 2008, en volgens velen nog steeds niet voorbij is.
De burger mocht en moest in steeds meer gevallen taken overnemen van de (lokale) overheid. Immers de overheid vond, sinds de golf van neo-liberaal denken in de ’80-er jaren, dat zij een kleinere taak diende te krijgen. Daarnaast kregen overheden door het geldende economische model van schuldencreatie en rentebetalingen zelf ook steeds minder te besteden. De oplossing bleek: ‘de burger.

Voormalig vliegveld Tempelhof in Berlijn door burgerinitiatief nu stadspark.

Ruimtelijke gaatjes vullen
Inmiddels hebben talrijke burgerinitiatieven het licht gezien. Gezien het thema van deze website beperken we ons tot die op het terrein van stedelijke ontwikkelingen of openbare ruimte.
Leegstand werd sinds 2008 een alledaags fenomeen. Vrijwel geen stad ontkwam aan diverse vormen van leegstand: kantoren, winkels of andere voormalige publieke gebouwen. Eigenaren, zowel particuliere als overheden, boden ruimte aan initiatieven die tijdelijk een invulling gaven aan hun lege pand. De term ‘popup’ was geboren. Popup maskeerde de onderliggende veronderstelling dat leegstand, en de teruggang in economie, een tijdelijk ongerief zou zijn.
Zo konden zandvlakten bedoeld voor nieuwbouw ‘tijdelijk’ als buurttuin worden gebruikt. Met minimale investeringen (in geld, wel in tijd) werd een eco-akker, kruidentuin of een speelbosje aangelegd. Vele roemden het ‘rommelige’ en informele karakter van dit soort plekken. De toegang was daarmee laagdrempelig: geen toegangskosten en geen gesloten community. Die ‘rommeligheid’ maakte ook dat zij door commerciële partijen en overheden als ‘klein bier’ in het grotere stadsplanningsspel werden beschouwd. Dit kon toch niks worden, werd vaak gedacht. Vergetende dat de korte termijn, met een opzegtermijn van een maand, niet tot investeringen kán leiden en elk burgerinitiatief op deze wijze gedoemd is aan haar eigen ‘sneuheid’ ten onder te gaan.

‘Noorderlicht’ aan het Amsterdamse IJ, een krakersinitiatief dat dit jaar 10 jaar bestaat

Hoe langer de termijn, hoe kansrijker
Toen duidelijk werd dat de crisis van 2008 niet meteen overging, werden de termijnen waarop bepaalde ruimtelijk burgerinitiatieven werden gedoogd, ook langer. Zo kreeg ‘Coehoorn Centraal‘ 5 jaar de tijd om haar ambities om een Arnhemse ‘creatieve zone‘ te ontwikkelen. Het lijkt er op dat dit initiatief zich gaat doorzetten naar een serieuze vorm van economische gebiedsontwikkeling. Daarbij is essentieel dat niet gewerkt wordt met leningen om direct aan het begin te investeren, maar met middelen, vastgoed, dat al enige tijd economisch incourant was. Het betaalde gebruik van de panden leidt niet alleen tot een enorme verlaging van de lopende kosten (onderhoud, energie, kapitaalslasten) voor de eigenaar (de gemeente), maar ook tot een reeks van aanvullende initiatieven die het doorgroeien van kleine creatieven ondernemingen moet bevorderen.
Zo blijkt zich dus langzamerhand kapitaal te ontwikkelen, zonder nieuwe schulden te creëren.
De afweging of een door burgers opgezette buurttuin, cultuurcentrum of creatieve hub na verloop van tijd mag uitgroeien tot een (financieel) volwassen plek of activiteit, wordt helaas maar al te vaak bepaald door ‘de markt’. Een afweging in de breedte, dus niet alleen de mogelijke opbrengsten van verkoop van grond en vastgoed, gebeurt maar zelden. Toch liet een voormalig wethouder van Amsterdam zich onlangs in een bijeenkomst helder uit:’ Aan de hoogste bieder? Dat hoeft niet. Ik weeg wel degelijk ook de ‘opbrengsten’ voor de wijk of de stad af.’

uitdewar
‘De War’ in Amersfoort dat na 13 jaar haar deuren moet sluiten wegens verkoop door gemeente.

De gefragmenteerde overheid
De meeste burgerinitiatieven maken gebruik van grond en/of vastgoed. Dit kan bezit zijn van een particulier of een overheid, vaak een gemeente.
Opmerkelijk is dat het verschil in afweging of een initiatief door mag groeien tussen een particuliere eigenaar en een overheid, niet zo groot is. Ook een overheid gedraagt zich op het terrein van handel in vierkante meters en stenen als een marktpartij. Elke concessie die een overheid doet aan haar rol als marktpartij wordt afgeblokt met het juridische ‘duizendingendoekje’ getiteld ‘staatssteun’. Een draak van een term, immers hoe kan een lokale overheid ‘staatssteun’ geven? Maar dat terzijde.
Een burgerinitiatief op grond of in vastgoed van een gemeente, raakt meestal meerdere beleidsterreinen op het stadhuis. Zo kan een initiatief met vluchtelingen onder ‘sociale zaken’ vallen, maar het gebouw waarin dat plaatsvindt onder het ‘vastgoedbedrijf’ (nee, geen ‘afdeling’ vastgoed). Een buurttuin kan onder ‘openbare ruimte’ of het ‘sociale domein’ vallen, maar de grond valt onder het ‘vastgoedbedrijf’ van de gemeente.
Burgers die voor hun initiatief met een coördinerende ambtenaar van doen hebben, lopen tegen het fenomeen aan dat zijn ambtenaar maar over een bepaald beleidsterrein gaat. Een stap van de initiafnemers naar de wethouder, om een bredere afweging te bepleiten, wordt zelden op prijs gesteld. Het passeren van de ambtenaar wordt meestal ‘bestraft’ met het blokkeren van verdere medewerking aan het initiatief. Het vergt veel manoeuvreren om zonder veel schade naar de wethouder te stappen. En soms heeft dat ook geen zin omdat ook de wethouder maar een beperkt aantal beleidsterreinen bestrijkt.
Dan rest de burger niets anders dan de politiek te benaderen. Alleen de gemeenteraad kan een stadsbrede afweging maken.
Het is te hopen dat daar het marktdenken, in een breder kader wordt geplaatst en burgerinitiatieven als volwaardige vormen van stadsprojecten worden gezien.

Het populaire zomerstrandje ‘De Kaaij’ onder de Waalbrug in Nijmegen.

Een rotsvast geloof
Inmiddels duiken de retaildeskundigen op congressen weer op die het einde van de leegstand in onze winkelstraten aankondigen. Vooral Amerikaanse onlineketens zouden weer (grote) winkels in Nederland gaan openen. Nog los van wat zo’n megastore van bijvoorbeeld Amazone toevoegt aan een stad, wordt voorbij gegaan aan de economische realiteit op de langere termijn. De overheden zullen voortdurend verarmen en de koopkrachtige middengroepen blijven slinken.
Welke gemeente heeft geen beleidsnotitie ‘Onze binnenstad moet bruisen’ in de la liggen. En dan gaat het vrijwel altijd over retail: winkels. Maar een binnenstad is meer; het is een knooppunt van handel en ontmoeting, wonen en werken. Die differentiatie moet weer terugkomen in de steden. De stad moet ruimte bieden en laten aan ‘softspots‘ in de stad, die levendigheid in onze binnensteden weer terugbrengen.
De stad is van iedereen en is meer dan koopwaar alleen.