Burgerinitiatieven behoeven een gelegitimeerde basis

Over hoe burgerinitiatieven, tussen overheid en markt, hun legitimiteit kunnen verwerven.

Het immens populaire Tempelhofer Feld dat een uithangbord voor Berlijn is geworden.

Burgerprojecten zijn er in alle soorten en maten. Ze zijn er op het gebied van energie, gezondheid, buurtactiviteiten, groen, sport, voedsel en nog vele andere. Initiatieven die ruimte vragen om zaken op hun eigen manier te doen, vaak ook anders dan de geldende regels toelaten. Belangrijk daarbij is de vraag naar de legitimiteit: kan een bepaalde groep burger (extra) ruimte worden gegund? En hoe legitiem is dat dan?

Wat is legitimiteit eigenlijk?
Er zijn meerdere betekenissen van legitimiteit. In die betekenissen duiken verschillende termen, lees synoniemen, op: draagvlak/representatief, gerechtvaardigd, rechtmatig/wettig. In deze volgorde lijken de betekenissen een steeds hogere stap op de ladder van eisen aan legitimiteit.
Voordat een overheid meewerkt aan een burgerinitiatief stelt zij zich ondermeer de vragen, bestaat er voldoende draagvlak in de buurt? Is het beschikbaar stellen van een braakliggend terreintje of tegen niet-marktconforme prijzen beschikbaar stellen van een oude school rechtvaardig, bijvoorbeeld t.o.v. de markt of andere initiatieven? Is het rechtmatig, mag het volgens ‘de wet’ als een overheid grond en (maatschappelijk) vastgoed om niet of tegen niet-marktconforme tarieven in gebruik geeft aan buurtbewoners die taallessen aan vluchtelingen geven?
Het zijn stuk voor stuk vragen waar in veel gevallen geen goed antwoord op kan worden gegeven of wanneer wel, vooral die met betrekking tot rechtmatigheid, vaak een negatief antwoord. Dan begint het vrij worstelen tussen goede bedoelingen, bestaande en nieuwe belangen, regels en redelijkheid, burgers en systemen.

Gaten tussen markt en overheid
De geschiedenis voltrekt zich in golven. Perioden waarin de macht lijkt te wisselen tussen ‘de markt’ en ‘de overheid’ wisselen elkaar af. Het is niet toevallig dat met het toegenomen aandeel van de markt in het leveren van ook maatschappelijke diensten, de behoefte aan aanvullende of vervangende initiatieven van burgers is toegenomen. Met de overdracht van veel overheidstaken naar de markt, blijkt diezelfde markt velen niet naar tevredenheid te bedienen. Het streven naar winstmaximalisatie en dus kostenminimalisatie leidt in veel gevallen tot een te schrale dienstverlening en/of te hoge prijzen zodat een deel van de burgers niet meer van die diensten gebruik kan maken. De markt zou als met een ‘onzichtbare hand’ alle producten en diensten waaraan behoefte is, leveren. Maar dat valt tegen.
Echter, aan veel van die diensten mag dan (maatschappelijke) behoefte bestaan, de markt reageert pas met een aanbod als er een ‘koopkrachtige vraag’ (lees: winstgevende vraag) voor dat product of die dienst bestaat. En zo vallen veel maatschappelijk nuttige en soms noodzakelijke diensten tussen de overheidswal en de marktboot. Denk daarbij aan een voedselbank, opvang van probleemgroepen, sociale hulp aan ouderen en zieken, betaalbare woonruimte voor laag betaalden, betaalbare werkruimte voor kunstenaars en beginnende ondernemers, het bijhouden van groen in de buurt, onderdak voor buurtactiviteiten, belangenbehartiging van in de knel geraakte bewoners.
En dat gat lijkt steeds groter te worden, aangejaagd door een enorme, al decennia voortdurende, kapitaaloverdracht van het publieke naar private domein zijn overheden in een glijvlucht van afnemende publieke middelen gekomen waardoor steeds meer burgers op ‘de markt’ zijn aangewezen.
Maar wat heeft dit met legitimiteit van doen?

Het legitimiteitsvacuum
In ons maatschappelijk model zijn er twee bronnen van formele legitimiteit: dat zijn wetten en regels enerzijds en de regels van de markt en eigendom anderzijds.
Nu veel maatschappelijk nuttige en vaak noodzakelijke activiteiten noch (meer) tot de overheidstaken behoren, noch door de markt worden opgepikt, ontstaan in die tussenruimte talrijke burgerinitiatieven. Zover geen nieuws. Het mag dan ook niet bevreemden dat in landen waar de markt nog sterker domineert, de burgerbeweging een grotere mate van ‘volwassenheid’ kent. Zo is in Engeland die tussenruimte opgevuld door ‘social enterprises’. Een fenomeen waarbij een burgerinitiatief een formele status krijgt tussen overheid en markt, met een eigen set van regels. Het zal ook niet verbazen dat in de eerdere hoogtijdagen van verregaande privatisering en marktwerking, laat 19e eeuw, veel maatschappelijke initiatieven zijn ontstaan: denk aan ziekenfondsen, welzijnsinstellingen, woningcorporaties. Er ontstond tussen een nieuw maatschappelijk middenveld. Het lijkt erop dat een aantal burgerinitiatieven van nu, bijvoorbeeld het Broodfonds, zullen uitgroeien naar een nieuw maatschappelijk middenveld. De oude, lees huidige, is te vaak gecompromitteerd geraakt door de ‘verleidingen van de markt’. Ze gingen fuseren om hun winsten te vergroten, de markt te domineren en de kosten te reduceren. Ze gingen hun diensten tegen meer marktconforme tarieven aanbieden, mede door teruglopende overheidsfinanciering en ten gevolge van de druk van de markt tegen ‘oneerlijke concurrentie’ van gesubsidieerde instellingen. Zo gingen directeuren van woningbouwverenigingen zich gedragen als CEO’s van corporates. De salarissen explodeerden, huurgelden werden belegd en als speculatiemiddel ingezet. Aandeelhouders werden belangrijker dan hun huurders. En zo verging het de ene sector na de andere: energie, openbaar vervoer, gezondheidszorg/thuiszorg, veiligheid, post, telecommunicatie, voedselproductie enzovoort. Het is niet toevallig, dat zelfs in de meest behoudende media (kranten, radio en televisie) citaten in de commentaren sluipen uit de werken van Karl Marx, die niet voor niets zijn werk in de 2e helft (1867) van de 19e eeuw schreef: ‘Das Kapital’.

Dit artikel in pdf + statuut maatschappelijk ondernemen voor gemeenteraden.

Burgerinitiatieven moeten aan de bak voor hun eigen positie
‘Als je niet in je eigen kracht en netwerk blijft investeren, dwing je uiteindelijk bij ‘de systeemwereld’ (bijvoorbeeld overheden) te weinig respect af en komt men daar niet echt in beweging.’ Aldus Frans Soeterbroek in zijn essay ‘Happy infiltrators’ uit ‘Het nieuwe stadmaken‘.
In dit essay geeft hij burgerinitiatieven vier ‘perspectieven op systeemverandering’:

  1. Je eigen ding doen en autonoom blijven;
  2. Meebewegen en samenwerken via partnership;
  3. Afzetten tegen het systeem als activist;
  4. Het systeem hacken als ‘happy infiltrator’.

Het is zoeken naar een balans tussen ‘vertrouwen op eigen kracht’ en ‘wrijving opzoeken’. Een niet gering aantal burgerinitiatieven heeft volgens Soeterbroek ook de wens voor een ander type samenleving, waarbij de huidige systeemwereld aanvoelt als een vijand. Soeterbroek benadrukt dat met ‘het systeem’ niet zozeer de overheid als zodanig wordt bedoeld, maar ‘de machtige coalities en netwerken van delen van de overheid en grote marktpartijen (banken, vastgoedsector, energiebedrijven en oliemaatschappijen)’.
Het is zoeken naar een balans tussen het verwerven van een eigen positie van een initiatief en samenwerken met ‘het systeem’, zonder opgezogen te worden door de ‘gulzige overheid’ (Hoogleraar Willem Trommel).

Het nieuwe maatschappelijke middenveld
Deze ontwikkelingen lijken het oude maatschappelijke middenveld te gaan vervangen. Echter het nieuwe middenveld, veel burgerinitiatieven dus, werkt zonder (juridische) titel, zit niet in de hechte netwerken van overheden, oude middenveld en bedrijfsleven en ontbeert de financiële middelen. Daar wringt de schoen.
De burgerinitiatieven dwingen om te kiezen tussen beide systeemwerelden: je bent een gesubsidieerd project (als wij het geld er voor hebben) of je gedraagt je als een marktpartij, is een heilloze weg. De overheid gedraagt zich in veel gevallen (vastgoed, grond en een aantal diensten) nu zelf ook als marktpartij en heeft daardoor een deel van haar maatschappelijke legitimiteit verloren. De opkomst bij verkiezingen voor de gemeenteraden van minder dan 50%, doet ook de vraag rijzen, hoe representatief onze overheid zelf nog is. Ook het bedrijfsleven moet gaan accepteren dat niet alles markt is, dat niet alle producten of diensten zich lenen voor een koopkrachtige vraag. Zo behoren oude scholen, overheidskantoren en door de gemeente aangekochte gronden, te worden beschouwd als maatschappelijk kapitaal, waar de markt in principe geen toegang toe heeft. Met deze middelen moeten overheden onderdak bieden aan burgers die het gat tussen overheid en markt, met eigen inzet en energie, willen opvullen. Het toegenomen denken in ‘vrije en open markten’, zoals de EU is geworden en de lange reeks van handelsverdragen zoals CETA en de aanstaande TTIP, maakt het burgers niet eenvoudig om een legitieme middenpositie in te nemen.

Bouwstenen voor legitieme burgerinitiatieven
Het is nu de tijd om stappen te nemen naar een Nederlandse variant (of varianten) van een ‘social enterprise‘. Met zo’n nieuwe rechtspersoon (of meerdere vormen daarvan) krijgen burgerinitiatieven een formele status en daarmee een formele legitimiteit. Ook worden de huidige ongewenste rechtsonzekerheden en aansprakelijkheden opgeheven of verminderd.

Een sociale onderneming kenmerkt zich door:

  • het nastreven van een maatschappelijk doel;
  • gedraagt zich als onderneming, maar herinvesteert opbrengsten alleen in maatschappelijk doel;
  • verwerft inkomsten uit eigen producten of diensten, heeft minimale subsidies;
  • voert een open bestuur met zeggenschap van alle betrokkenen;
  • is fair naar iedereen: afnemers, leveranciers en andere betrokkenen;
  • het streven naar een zo klein mogelijke ecologische voetprint.

Uiteraard zal de landelijke overheid wet- en regelgeving hierop moeten inrichten. In de tussentijd kunnen lokale overheden, i.c. gemeenten, burgerinitiatieven wel al vast langs deze meetlat leggen om vast te stellen of zij hier te doen hebben met een ‘legitieme sociale onderneming’. Daar waar dat het geval is, kan zij meer gefundeerd bepaalde van haar middelen, zoals maatschappelijk vastgoed en grond, al dan niet tijdelijk, tegen ‘sociale’ voorwaarden ter beschikking stellen. Het zou daarbij zeer helpen als, in afwachting van landelijke wetgeving, deze ‘social enterprise-toets’ (in goed Nederland ‘maatschappelijke onderneming’), wordt ondersteund met de door de gemeenteraad vastgestelde beleidslijnen.
De doorontwikkeling van burgerinitiatieven, waarbij nu ogenschijnlijk mensen met alle achtergronden en professies betrokken zijn, zal zeker leiden tot nieuwe beroepen die wij nu nog niet kennen. Wat nu dus nog een willekeurige verzameling van zelfstandige professionals en werkzoekende burgers lijkt, zullen later kunnen uitgroeien tot nieuwe, zij het op andere wijze, betaalde beroepsgroepen.

Om verder te lezen: The end of capitalism has begun. (The Guardian)