Als de stad zelf koopwaar is geworden

De uitverkoop van de steden verkleint het publieke domein.

De laatste resten van de Berlijnse Muur onderbroken door de bouw van luxe appartementen.

Is de stad te koop? De vraag stellen is hem beantwoorden. Ja, en of!
Waren steden eerst en vooral plekken waar koopwaar van eigenaar wisselde, nu is zij zelf koopwaar geworden. De stad als ‘ontwikkelgrond’, businessmodel, pretpark, concertzaal, festivalterrein, hotel-op-elke-plek, toeristisch gebruiksartikel.
Inmiddels zien veel steden de gevolgen, maar het geld blijft lonken. Een blog over hoe het eendimensionaal marktdenken de veelzijdigheid van de stad langzamerhand om zeep helpt.

De stad als marktplaats
De stad is een uitgelezen plek om koopwaar aan de man te brengen. Of dat nu producten zijn, diensten of jezelf, nergens komt zoveel vraag en aanbod bij elkaar als in de stad. De trek naar de stad van veel zelfstandig werkenden (ZZP) is daar een bevestiging van. Hoe slechter de markt in minder compacte delen van het land, hoe meer mensen naar de steden trekken. Landen als Mexico of India weten er alles van.
Dat heeft vooral te maken met haar compactheid, diversiteit, bereikbaarheid en massa van koopkracht. De meeste steden hebben daar hun welvaart aan te danken. Vooral in een opgaande economie hoopt de rijkdom zich in de steden op. Bij een kwakkelende economie, of aanhoudende crisis, wordt de stad de plek van elkaar verdringende aanbieders, vechtend om de afnemende vraag naar hun waar.
Zover, niets nieuws onder de zon.

De openbare ruimte als koopwaar
Wat voor Europese verhoudingen tamelijk nieuw is, is de mate waarin de stad nu zelf koopwaar is geworden. Haar compactheid, diversiteit, bereikbaarheid en koopkrachtige massa geven haar immers waarde.
Deze vier factoren zijn de basis voor een hoge mate van menselijke interactie, snelle distributie van kennis en kansen voor gespecialiseerde netwerken, veelal resulterend in een sterke economische positie.
Inmiddels is de stad zelf op de markt gekomen. Meer nog dan voorheen wordt de stad verkocht, vaak aan de hoogste bieder. Open plekken van publieke ruimten worden in toenemende mate ‘ten gelde gemaakt’ als (tijdelijke) parkeerplek, festivalterrein-met-kassa, horeca-zone bij publieksevenementen. De publieke ruimte raakt geprivatiseerd. Mannen met een ‘V’ op de arm nemen de ‘openbare orde’ over van de publieke politiediensten. De uitbaters bepalen wat op ‘hun’ gepachte terrein wel en niet mag. Een plein beheerd als een privé-club.
Buurtbewoners die bij publieksevenementen met pasjes naar hun woning moeten sluipen. Flesjes water, die gisteren op het plein zonder problemen tot de bodem konden worden leeggedronken, zijn de dag erna reden om in je tassen te kijken. Het plein moet immers vandaag geld opleveren.

Wonen: geluksvogels en pechvogels
De stad als koopwaar sorteert ook haar bewoners op rangorde van financiële positie. Dat huurwoningen koopwoningen moeten worden versterkt deze ontwikkeling.
In Duitsland worden steden als München en Stuttgart gezien als de steden met de minste ‘segregatie’. Berlijn als een van de meest gesegregeerde steden. Dat klinkt als een eenduidig onderzoeksresultaat. Echter dat München zo gunstig scoort op de segregatie-ladder houdt direct verband met het feit dat de schatrijke stad haar minder kapitaalkrachtige inwoners naar de omliggende dorpen drukt. En die tellen dan niet meer mee in de scores van de stad München. Dat Berlijn er zo ongunstig afkomt, houdt verband met de historisch ineenstorting van de DDR en daarmee met de ineenstorting van de welvaart in het oosten van Berlijn. De segregatie daarmee in één klap vergrotend. Kortom, onderaan of bovenaan het lijstje, de trend is in alle steden gelijk: de ordening op inkomen. Zelfs in het toch ‘sociale’ Nederland met haar gereguleerde woningmarkt, is het proces gaande.
Wil je bij het Prinsengrachtconcert wonen, Sail, het vermaak, de vele winkels, daar waar ‘het’ gebeurt, dan is er maar één toegang: geld.
De geluksvogels in het historische centrum, de pechvogels erbuiten.

De gemeente zelf als handelaar
Een gemeente is zoals ook de provincies en het rijk een overheid. Over wat die vermag, is onderhevig aan de politieke wind. Meer of minder overheid. Overheid als orgaan of als bedrijf.
Inmiddels hebben heel wat (voormalige) overheidsbedrijven het pad gekozen om op onderdelen zich als marktpartij te gedragen. Markteconomie werd marktideologie. Een geloof. Iets dat zo vanzelfsprekend werd gevonden dat je er geen kritische vragen over stelde. Maar hoe lang nog?
Zo meenden sommige besturen van hogescholen dat de miljoenenbudgetten beter besteed waren aan sterarchitectuur dan aan het onderwijs zelf. Maar de uitgegleden sectoren zijn talrijk. Rendement werd het toverwoord, niet van het onderwijs, maar van het uitstaande geld.
Ook gemeenten zagen wel brood in het stoeien met grond en vastgoed. Beide middelen die zij namens de gemeenschap (sommige spreken liever van burgers of ‚de belastingbetaler’) in beheer hebben gekregen om de samenleving in haar functioneren te dienen.
Maar sommige gemeenten zagen al dat belastinggeld ‚doelloos’ op de gemeentelijke bankrekening staan en zagen betere ‚bestedingen’. Het belastinggeld moest ook gaan renderen. Vergetend dat belastinggeld moet worden uitgegeven of teruggegeven. Meer smaken zijn er niet met belastinggeld. Vastgoed beschouwd als ‚eigendom’ van gemeenten, is met datzelfde belastinggeld verworven. Maar welke gemeente kent inmiddels geen vastgoedbedrijf? Het in stenen gegoten belastinggeld is op de markt verhandelbaar. Rendement maken. Hypotheken aflossen. Net als een echt bedrijf.

Hoe schadelijk zijn deze ontwikkelingen?
De combinatie van privatisering van de openbare ruimte, de scheiding van geluksvogels en pechvogels alsmede het gedrag van overheden als marktpartij, heeft een grote invloed op de stad als veelzijdige plek voor wonen, werken en vermaak.
Het maakt dat woon- en leefvormen en activiteiten die van hun waarde geen geld weten te maken, uit de stedelijke samenleving verdwijnen en in de periferie terecht komen. De eenvormigheid van aanbod van ‚hippe’ winkels in combinatie met kapitaalkrachtige grootgrutters maken de stedelijke centra het terrein voor een steeds kapitaal krachtiger groep. Een spiraal van meer gelijksoortig publiek en meer gelijksoortig gedrag, vertier en winkelaanbod geven na 20 jaar dominantie van winkelketens, de binnensteden een nieuwe eenvormigheid.
Verkoop van gemeentelijk vastgoed tegen ‚marktconforme’ prijzen, verhindert maatschappelijke inzet, waarvoor het ooit was bedoeld. Met hekken en kassa’s afgesloten publieke ruimten verdringen publieke voorzieningen als openbare toiletten (doe dat maar bij de horeca), zitbanken (ga maar op het terras zitten) en het gevoel dat de stad er voor iedereen is.
Het voorkomt ook dat burgers plekken op hun manier tot bloei brengen. Immers, een burgerinitiatief zonder solide business-case is gedoemd in goede bedoelingen te sterven. Zo werkt dat nu eenmaal in een stad die zelf koopwaar is geworden.